De illusie van transparantie: hoe de Woo wordt ingezet om informatie maar niet te hoeven openbaren of in ieder geval zo traag mogelijk!

De Wet open overheid (Woo) regelt de openbaarheid van bestuur een algemeen rechtsbeginsel dat burgers het recht verleent om kennis te nemen van informatie waarover de overheid beschikt. Burgers moeten kunnen zien hoe de overheid werkt, hoe besluiten tot stand komen en waar publieke middelen naartoe gaan. In theorie een pijler van de democratische rechtsstaat. In de praktijk blijkt dat fundament echter een stuk wankeler dan gedacht.

Twee recente besluiten van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) werpen daar een opvallend licht op. Niet omdat ze uitzonderlijk zijn, maar juist omdat ze zo pijnlijk alledaags lijken.

De eerste vraag die werd gesteld, is eigenlijk heel basaal: hoe bepaalt de overheid of een Woo-verzoek “omvangrijk” of “complex” is? En op basis waarvan wordt besloten om de wettelijke beslistermijn te verlengen?

Het antwoord dat daarop volgt, is even simpel als ontluisterend. Die criteria bestaan niet. Er zijn geen werkinstructies, geen richtlijnen en geen vastgelegde afwegingskaders. De beoordeling vindt plaats in intern overleg en er wordt niets op papier gezet.

Dat betekent dat een beslissing die voor burgers grote gevolgen kan hebben — namelijk het uitstellen van toegang tot informatie — feitelijk achter gesloten deuren wordt genomen, zonder dat later nog te reconstrueren is hoe die beslissing tot stand is gekomen. Het roept een ongemakkelijke vraag op: hoe controleer je een overheid die haar eigen afwegingen niet vastlegt? En is het wellicht een bewuste keuze dat er niets wordt vastgelegd omdat je anders gedwongen zou kunnen worden dit te openbaren?

Tegelijkertijd wordt vanuit de overheid vaak gewezen op de toenemende druk door Woo-verzoeken. Het beeld wordt geschetst van een systeem dat onder een enorme belasting bezwijkt. Maar wie naar de cijfers kijkt die zijn vrijgegeven, ziet iets heel anders.

Het aantal verzoeken blijkt namelijk helemaal niet explosief te groeien. In 2023 ging het om 340 verzoeken en in 2024 zelfs om iets minder, namelijk 319. Dat zijn aantallen die moeilijk te rijmen zijn met het beeld van een onbeheersbare stroom aan verzoeken.

Wat wél opvalt, is dat de beslistermijn in het overgrote deel van de gevallen wordt verlengd. Verlenging lijkt geen uitzondering meer, maar eerder de standaardpraktijk. Daarmee verliest de wettelijke termijn zijn betekenis. Wat bedoeld is als waarborg voor tijdige besluitvorming, verandert zo in een rekbaar begrip.

Wat daarbij belangrijk is om te begrijpen, is hoe die verlenging juridisch eigenlijk bedoeld is. De wet is daar namelijk vrij duidelijk over. In artikel 4.4 van de Woo staat dat een bestuursorgaan in principe binnen vier weken moet beslissen op een verzoek. Alleen in uitzonderlijke gevallen mag die termijn met maximaal twee weken worden verlengd. Dat mag bovendien alleen wanneer de omvang of de complexiteit van het verzoek dat écht rechtvaardigt, en die verlenging moet ook nog eens gemotiveerd worden richting de verzoeker.

Met andere woorden: die extra twee weken zijn geen standaard optie, maar een uitzondering die zorgvuldig moet worden toegepast en uitgelegd.

Juist daarom zijn de cijfers die vervolgens naar voren komen zo opvallend.

Om het beeld compleet te maken, is hieronder de informatie weergegeven zoals deze door de overheid zelf openbaar is gemaakt:

Nog opvallender is dat de overheid in een aanzienlijk aantal gevallen simpelweg niet weet of een termijn is verlengd. In de cijfers duikt herhaaldelijk de categorie “niet bekend” op.  Hoe is het mogelijk dat dit onbekend is? Het was nou precies de vraag van dit Woo verzoek om te achterhalen in hoe vaak er gebruik wordt gemaakt van die blijkbaar standaard verdaging met 2 weken dus als je het niet weet zul je dus echt even in het dossier moeten kijken…. heel veel moeilijker is het niet. Als niet eens kan worden nagegaan of een verdaging van 2 weken is toegepast, wat zegt dat dan over de administratie en de controle op het op de juiste wijze toepassen van de uitzonderlijke maatregel? 

Het laat zien dat het probleem dieper ligt dan capaciteit of werkdruk. Het gaat om een gebrek aan structuur. Een systeem waarin belangrijke beslissingen niet worden vastgelegd, kan zichzelf niet verantwoorden en ook niet verbeteren. 

Daar komt nog bij dat dezelfde overheid die oa dit Woo-verzoek aanvankelijk als “misbruik van recht” kwalificeerde, daar later op terugkomt. Wat eerst werd weggezet als oneigenlijk gebruik van de wet, blijkt uiteindelijk gewoon een legitiem beroep op openbaarheid. Die draai wordt gemaakt zonder echte reflectie. Er is geen zichtbare analyse van hoe zo’n verkeerde inschatting kon ontstaan, laat staan wat daarvan geleerd wordt. En uit wat nu openbaar is gemaakt blijkt, dat het hoog tijd was dat iemand eens onder de aandacht bracht op welke wijze met deze uitzonderlijke mogelijkheid wordt omgegaan.

Het geheel schetst een beeld van een systeem dat niet zozeer is ingericht op openbaarheid, maar op beheersing. Verzoeken worden niet alleen behandeld, maar ook gewogen, vertraagd en soms zelfs ontmoedigd. Niet op basis van duidelijke regels, maar via informele processen die zich grotendeels onttrekken aan controle.

En daar wringt het. Want de Woo is juist bedoeld om de overheid controleerbaar te maken. Wanneer de uitvoering van diezelfde wet zelf niet transparant is, ontstaat een fundamentele paradox. De wet die openheid moet brengen, wordt uitgevoerd in een systeem dat zelf gesloten is.

De vraag die dan overblijft, is misschien wel het belangrijkste van allemaal. Als de overheid niet vastlegt hoe zij tot beslissingen komt, niet kan reconstrueren wanneer zij wettelijke termijnen toepast en structureel afwijkt van de bedoeling van de wet, wat blijft er dan over van de transparantie?

Transparantie bestaat niet alleen uit het openbaar maken van documenten. Het vraagt ook om inzicht in hoe beslissingen worden genomen. En juist dat inzicht krijgen we niet.