
Dit is het vierde artikel in de serie: Dierhouderij en Positieflijst. De serie is gebaseerd op het Tegenrapport over de houdbaarheid van de Huis- en Hobbydierenlijst. ook wel bekend als de Positieflijst. In deze serie lichten we in elk artikel een specifiek onderwerp of hoofdstuk uit het tegenrapport toe, zodat het geheel voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk wordt – ook voor wie het hele rapport (nog) niet gelezen heeft.
In dit artikel vatten we samen hoe het Adviescollege van de overheid:
- een loopje heeft genomen met de wetenschappelijke methode,
- geen rekening heeft gehouden met de praktijk maar de beoordelingen enkel op basis van slecht gekozen theoretische risico’s heeft uitgevoerd,
- en hoe de Huis- en Hobbydierenlijst volledig haar doel mist.
Wetenschappelijke bronnen uit de context gehaald
In het rapport van het Adviescollege wordt veelvuldig verwezen naar wetenschappelijke bronnen om de beoordeling van diersoorten te onderbouwen. Op het eerste gezicht wekt dit de indruk van een zorgvuldig en objectief proces. Bij nadere bestudering blijkt echter dat deze bronnen regelmatig niet ondersteunen wat er wordt beweerd – en in sommige gevallen zelfs het tegenovergestelde aantonen.
Dit is niet slechts een detail, maar raakt de kern van de juridische houdbaarheid. In de Europese rechtspraak is immers al vastgesteld dat een positieflijst niet gebaseerd mag zijn op het onjuist of selectief gebruiken van wetenschappelijke literatuur.
De voorbeelden in dit hoofdstuk laten zien dat dit probleem zich niet incidenteel voordoet, maar op meerdere niveaus terugkomt: zowel bij de beoordeling van individuele diersoorten als bij de onderliggende systematiek van risicofactoren.
Een illustratief voorbeeld is de beoordeling van de gestreepte skunk. Deze soort wordt als ongeschikt voor het Nederlandse klimaat beschouwd, op basis van de aanname dat verschillende ondersoorten niet tegen een gematigd zeeklimaat zouden kunnen. De aangehaalde bronnen tonen dit echter niet aan. Zij beschrijven enkel de geografische verspreiding van ondersoorten, zonder conclusies over klimaatgeschiktheid. De risicofactor is daarmee gebaseerd op een niet-onderbouwde aanname, in plaats van op wetenschappelijk bewijs.
Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij de risicofactor rond het dieet van herbivore soorten. Het rapport suggereert dat deze dieren in gevangenschap een lagere levensverwachting hebben. De aangehaalde studies tonen dit echter niet aan, en wijzen in sommige gevallen juist op een langere levensduur onder menselijke zorg. Hier wordt dus een conclusie gepresenteerd die niet uit de bron volgt.
Deze voorbeelden maken duidelijk dat er sprake is van een patroon waarbij:
- aannames als feiten worden gepresenteerd,
- bronnen niet correct worden geïnterpreteerd,
- en conclusies niet logisch voortvloeien uit de onderliggende gegevens.
De conclusie is dan ook dat de wetenschappelijke onderbouwing van de Huis- en Hobbydierenlijst op dit punt ernstig tekortschiet. Wanneer bronnen structureel uit hun context worden gehaald, kan niet langer worden gesproken van een zorgvuldige, objectieve en wetenschappelijk verantwoorde totstandkoming van de lijst.
Beoordelingen niet gebaseerd op reële risico’s
Risicobeoordelingen door het Adviescollege zijn niet gebaseerd op reële risico’s, maar op theoretische aannames die onvoldoende rekening houden met de praktijk van dierhouderij.
Dit blijkt onder andere uit de beoordeling van de Bennett-wallaby, waarbij ten onrechte op soortniveau is gekeken in plaats van op de in Nederland gehouden ondersoort. Daardoor zijn klimaatgerelateerde risico’s, zoals thermoregulatie, overschat, terwijl deze ondersoort juist goed is aangepast aan gematigde klimaten en daar in de praktijk probleemloos wordt gehouden.
Belangrijker nog is dat er geen rekening is gehouden met de meest eenvoudige houderijoplossingen. Voorbeelden zijn hamsterhuisjes als oplossing voor een afgezonderde nestplaats, ruwvoer (hooi) voor doorgroeiende tanden, etcetera. Dit terwijl voor niet-gedomesticeerde dieren vaak dezelfde standaard houderijoplossingen kunnen worden gebruikt als volgens het Adviescollege voor ‘verregaand gedomesticeerde dieren’ een reden zijn dat ‘eenieder’ deze zou kunnen houden.
Door het negeren van deze praktische houderijrealiteit ontstaat een beeld waarin veel diersoorten onterecht als ongeschikt voor houderschap worden beschouwd, terwijl de genoemde risico’s in werkelijkheid al effectief worden beheerst binnen de gangbare praktijk, en deze zijn ook nog eens vaak hetzelfde als de houderijoplossingen voor ‘verregaand’ gedomesticeerde dieren die door het Adviescollege zijn uitgezonderd van de beoordelingssystematiek.
Doelmatigheid van de Huis- en Hobbydierenlijst
De Europese rechter heeft eerder aangegeven dat een positieflijst geschikt moet zijn voor het beoogde doel en niet verder moet gaan dan noodzakelijk. In dit geval is het beoogde doel volgens de Minister 1. het verbeteren van dierenwelzijn en 2. het beschermen van mensen tegen ziektes en letsel van dieren.
De huis- en hobbydierenlijst schiet aantoonbaar tekort in het realiseren van haar beoogde doelen. Noch op het gebied van dierenwelzijn, noch ten aanzien van volksgezondheid of veiligheid voor de mens blijkt uit feiten en cijfers dat de lijst daadwerkelijk bijdraagt aan verbetering. Integendeel: de meeste welzijns- en gezondheidsproblemen doen zich voor bij diersoorten die juist wél op de lijst staan, zoals katten, honden en konijnen. Statistieken over bijtincidenten, opvangcijfers en de verspreiding van zoo nosen zoals toxoplasmose tonen aan dat de risico’s van deze ‘geaccepteerde’ soorten veel groter zijn dan die van de diersoorten die sinds 1 juli 2024 verboden zijn.
Bovendien blijkt uit de opzet van de beoordeling en de uitzonderingspositie van gedomesticeerde soorten dat er geen sprake is van een objectieve en consistente toepassing van criteria. De keuze welke diersoorten wel of niet zijn toegestaan, lijkt dan ook eerder gebaseerd op maatschappelijke voorkeuren en politieke opportuniteit dan op wetenschappelijke onderbouwing en proportionaliteit. Hierdoor voldoet de lijst niet aan de eisen van doelmatigheid en noodzakelijkheid zoals vereist door jurisprudentie en Europees recht. De lijst is dan ook niet slechts ineffectief, maar in haar uitwerking zelfs misleidend en contraproductief.
Tegenrapport Stichting Animalia onderschreven door wetenschappers en deskundige dierenartsen
Dat de wetenschappelijke onderbouwing van de totstandkoming van de Huis- en Hobbydierenlijst discutabel is, wordt nog eens bevestigd door meer dan 25 wetenschappers (waaronder het voormalig hoofd van de sectie Bijzondere Dieren van de Universiteit Utrecht) en deskundigen die hebben verklaard de methodiek achter de Huis- en Hobbydierenlijst te verwerpen en de conclusies van het Tegenrapport van stichting Animalia te onderschrijven. Dit onderstreept dat de wetenschappelijke onderbouwing van de Huis- en Hobbydierenlijst zeer discutabel is.

